NL / EN

COLUMN:
DE 21E EEUW VOEDEN (VOL. I)

Sigrid Vangeneugden
12/12/2017

Het is na zessen op een weekavond, mijn behoedzaam lichaam baant zich een weg door de supermarkt en struikelt over een doos avocado’s. Ah, het symbool van een generatie! Zonder twee keer nadenken steek ik er twee in mijn tassen en ga verder met dit wekelijkse ritueel van samenhangend maaltijden in mijn hoofd samen te stellen op basis van de tentoongestelde producten. Natuurlijk is het geen geheim dat avocado’s niet inherent Belgisch zijn – of zelfs Europees, wat dat betreft. Ze worden geteeld in Zuid-Amerika en leggen vele kilometers af voor ze op onze toastjes belanden. Wat als deze toevoerketen werd doorgeknipt? Hoe zou onze generatie deze verloren connectie met landbouw terugwinnen en waarom maakt dat iets uit?

Een van de meest belangrijke verhalen in deze narratief is Cuba: in 1989 werd er bijna 60% van de calorie-inname uit de Sovjet-Unie geïmporteerd. Toen die ineenstortte, werd Cuba – bijna in één nacht tijd – verantwoordelijk om op zichzelf zijn populatie te voeden. Gedreven door noodzaak namen inwoners het heft in eigen handen: daken, balkons, lege kavels en ongebruikte achtertuinen werden snel beplant met elk soort gewas dat mensen konden vinden. De regering merkte dit op en leerde van haar tegenslagen door deze nieuwe manier van urban farming te bevorderen door middel van regulering. Ongebruikte, publieke grond omvormen tot voedselproductie werd plots legaal, een netwerk van geschoolde gemeenschapsleden werd gecreëerd, die deze nieuw gepassioneerde tuiniers zouden onderwijzen en aanmoedigen. Eindelijk werd er een infrastructuur van Farmers’ Markets met rechtstreekse verkoop opgericht om deze tuinen financieel levensvatbaar te maken. Deze weerbaarheid en innovatieve manieren van urban farming resulteerden 9 jaar later in het feit dat in Havana bijna 50% van de nationale groentenproductie uit de meer dan 8000 tuinen in de stad komt.


Totaal afgesneden worden van hun eerder diepgewortelde voedingssysteem, dwong Cuba om voedsel opnieuw de leidende factor te maken in het vormgeven van steden, een benadering die veel dichter bij de oorsprong van onze stadsontwikkeling ligt: nederzettingen rond plaatsen van strategisch agrarisch belang in plaats van megapolen die in enkele maanden worden opgebouwd te midden van een droog woestijnland, die nooit zelfvoorzienend zullen zijn. Cuba leert ons dat urban farming mogelijk is een re-connectie met deze verloren agrarische kennis een deel van onze toekomst zou kunnen worden. Het belang van zelfvoorzienend zijn en de economische waarde van zo een systeem kan niet langer genegeerd worden.

In de eenentwintigste eeuw is dit één van vele uitdagingen: onze groeiende maatschappij vraagt om een verdichting van het stedelijk weefsel zoals we nooit eerder ervaren hebben, één die – indien we verwachten dat ze duurzaam en houdbaar zijn – ook aan de verdichting van onze landbouw zou moeten denken. Initiatieven ontspruiten wel: gaande van Vincent Callebaut z’n ontwerpen van megalomane, verticale boerderijen, tot lokaal geïmplementeerde CSA’s (Community Supported Agriculture), maar een gemeenschappelijke realisatie mist. Ons voedsel, onze oogst zou iets moeten zijn waar we ons beter bewust van zijn. Wat kunnen we leren van Havana? Waar en hoe wordt ons voedsel geteeld? En vooral: hoe kunnen wij als architecten een stad vormgeven die meer productief wordt als een direct antwoord op deze vragen… Het is een nieuw verhaal dat geschreven wordt.