Sint-Maartensdal

Renaat Braem

1960 - 1971

Renaat Braem kreeg in 1955 een unieke opdracht in de geschiedenis van de moderne stedenbouw en architectuur in België: het ontwerp van een hoogbouwwijk in het midden van de historische stad. Het eerste ontwerpvoorstel was een volledig verkeersvrije hoogbouwwijk in het groen met verschillende collectieve functies: een restaurant op het dak van de torens, een school, speelpleinen,... Braem zag de buitenruimte tussen de torens als tuin en hij hechtte veel belang aan het zorgvuldig ontwerpen van deze groenvoorziening.

In zijn zoektocht naar een zo hoog mogelijke woonkwaliteit in combinatie met een rationeel ruimteverbruik ontwikkelde Braem twee nieuwe gebouwtypes: de hexagonale toren en het langblok in visgraatvorm (geïnspireerd op Kiel in Antwerpen). De langblokken bestaan uit duplex appartementen met terras in visgraatvorm geschakeld langs een centrale gang volgens de meest optimale bezonning. Een grote meerwaarde is volgens Braem dat dit nauwelijks verschilt van een rijwoning aan de straat, waardoor de meeste bewoners zich snel vertrouwd voelen in de typologie. De hexagonale vorm van de torens is het resultaat van een zoektocht naar de optimale vorm met het minste ruimteverlies, grootste concentratie aan nutsvoorzieningen en de grootst mogelijke lichtinval. Na aanvang van de werken is beslist de hoofdtoren te bekronen met een zendmast van 45 m hoog die later uitgegroeid is tot symbool van de wijk. Omwille van politieke redenen zijn er verschillende aanpassingen gebeurd aan het oorspronkelijke ontwerp nog voor de bouw begon: alle collectieve functies zijn geschrapt en er is een verkeersweg aangelegd over het terrein. Deze verkeersader zorgt er jammer genoeg voor dat het idee van het doorlopende park verloren gaat. Deze veranderingen zorgen dat de wijk bepaalde kwaliteiten verliest maar desondanks is het een positief ontvangen alternatief voor het anonieme bouwblok, zowel door de bewoners als architectuurcritici.

Historische context/weetjes

De toren met de antenne is met zijn 115m het hoogste gebouw van Leuven

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Anatomisch amfitheater

Ontworpen door Jacques Antoine Hustin en mee gefinancierd door Hendrik Jozef Rega, toenmalig rector van de KU Leuven

1744

In 1744 besliste professor Hendrik Jozef Rega een anatomisch amfitheater te bouwen voor de Leuvense universiteit in late barokstijl met rococokenmerken, zoals de decoratie van het elegante koepelgewelf laat zien. Voor het gebouw palmde Rega de ingang in van de Kruidtuin, en liet een nieuwe grotere toegangspoort bouwen voor de kruidtuin die we vandaag ook nog gebruiken. Het achthoekige gebouw creëerde de ideale omstandigheden voor onderzoek en waarneming van het menselijk lichaam. Vijf anatomische preparaten, afkomstig van 5 opgehangen familieleden veroordeeld voor diefstal, werden overgebracht van de Lakenhal naar het amfitheater. De anatomische lessen gingen er van start in 1744-1745, ten tijde van de Oostenrijkse Nederlanden. De studenten volgden de dissecties van mens (en dier) op houten platforms in een cirkel op houten tribunes rond het centrum van het lokaal. Op een snijtafel centraal vonden dissecties plaats. In 1797 schafte het Frans bestuur in Leuven de universiteit af. Alle anatomische preparaten verhuisden naar Brussel. Pas met de oprichting van de Rijksuniversiteit in Leuven in 1818 begon de universiteit weer van nul met het samenstellen van een anatomische collectie. Dissecties van overledenen uit het Sint-Pietersgasthuis werden uitgevoerd. Het aantal studenten nam dermate toe in de loop van de 19e eeuw dat de universiteit de toestemming vroeg om het amfitheater uit te bouwen tot een groot pand. Bewoners uit de buurt protesteerden tegen de uitbreiding omdat ze een toename van lijkentransporten verwachtten. Het stadsbestuur weigerde daarom de uitbouw van het anatomisch amfitheater. In de plaats bouwde de universiteit in de Minderbroedersstraat een nieuw Instituut, het Vesaliusinstituut. De gestorvenen van het Sint-Pietersgasthuis konden er rechtstreeks getransporteerd worden, buiten het zicht van de omwonenden. Sindsdien is het anatomisch amfitheater buiten gebruik geraakt.

Historische context/weetjes

Dit prachtige gebouw is ook Leuvens kunstenaar Constantin Meunier niet ontgaan, hij gebruikte het amfitheater eind 19de eeuw als atelier. Sinds 1999 is het gebouw beschermd als monument.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Sint-Pieterskerk

Er werd aan de kerk gebouwd door enkele beroemde laatgotische bouwmeesters, waaronder Sulpitius van Vorst, Jan II Keldermans en Matthijs de Layens

Er werd gebouwd vanaf 1400. De precieze datum is onzeker, omdat de registers van de kerk verloren zijn gegaan.

In de 8e eeuw bevond zich op deze plaats een houten kerkje. Rond het jaar 1000 is dit vervangen door een stenen, Romaanse kerk. In de 15e eeuw begon men aan de bouw van huidige, Gotische kerk.

Men had drie torens voor ogen voor het bouwwerk, waarvan de middelste 150 metrer hoog moest worden en de twee ernaast 120 meter. Deze werken moesten echter worden gestaakt, omdat de constructie niet goed was uitgewerkt. De bodem was instabiel en de torens konden niet goed verankerd worden. Minder dan de helft was voltooid. Later, in 1604, werd de hoogte nog verminderd na een instorting.

Historische context/weetjes

Aan de patroonheilige van de kerk, de apostel Petrus, ontlenen de Leuvenaars hun bijnaam "Pietermannen" of "Peetermannen".

Bij de bouw van de gotische kerk in de 15e eeuw werd de romaanse voorganger stuk voor stuk afgebroken. Men heeft hier een eeuw over gedaan.

De kerk heeft zwaar geleden onder de oorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd ze slachtoffer van een brand, die haar het dak kostte. In de Tweede Wereldoorlog werd de kerk gebombardeerd.

In de Sint-Pieterskerk bevindt zich het beroemde drieluik van Dirk Bouts: Het Laatste Avondmaal.

In 1980 werd de indrukwekkende kooromgang van de kerk ingericht als museum en in 2009 omgedoopt tot ‘M-Schatkamer van Sint-Pieter’. De M-Schatkamer maakt deel uit van M-Museum Leuven en bevat enkele prachtige devotieschilderijen en religieus edelsmeedwerk. Je kan er onder meer werken van Vlaamse Primitieven zoals Dirk Bouts bewonderen.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Groot Begijnhof

13de eeuw

Dit begijnhof is het oudste en grootste van de twee begijnhoven die zich in Leuven bevinden. Je vindt er een netwerk van straatjes, pleintjes, tuinen en parken, met tientallen huizen en conventen in traditionele zandsteen, alsook de Sint-Jan-de-Doperkerk. Tijdens de hoogdagen in de 17de eeuw woonden er zo'n 360 begijnen. De gotische begijnhofkerk (14de-15de eeuw) is het oudste gebouw van het complex.

Dit stadje-in-de-stad werd tussen 1964 en 1989 voorbeeldig gerestaureerd door de K.U.Leuven, die de site in 1962 kocht van de toenmalige Commissie van Openbare Onderstand. Tegenwoordig wonen er studenten, buitenlandse gastprofessoren en medewerkers van een van de oudste katholieke universiteiten van Europa.

Historische context/weetjes

De oudste van de huidige 72 huizen dateren uit de 16de eeuw, toen de oorspronkelijke lemen woningen in steen herbouwd werden. Sommige werden genoemd naar een heilige of naar een gebeurtenis uit de Bijbel.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Schuilkelders in Sint Donatuspark

Stad Leuven werd in 1940 door de bezetter verplicht om loopgraven aan te leggen in het stadspark. Deze waren gemaakt uit hout. Ze vervielen met de jaren, en in 1943 besliste de stad zelf om op dezelfde plek stenen schuilkelders aan te leggen, weliswaar veel kleiner dan de originele houten versie. Vandaag ligt op die plek een speeltuintje, dat – toevallig of niet – een goeie meter hoger ligt dan de omringende grond.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Crypte onder Mathieu de Layensplein

Onder dit plein liggen de oude romaanse crypten gebouwd rond 984. Deze werden in 1902 na een woningenbrand herontdekt en in 1905 gefotografeerd. Deze kelders hadden zware zuilen en booggewelven. Veel zwaarder dan men van kelders gewend was. Het zou kunnen dat dit de crypte was van de allereerste Sint-Pieterskerk is. Anderen zijn van mening dat het gaat om een ossuarium, een ruimte waar beenderen werden bewaard. Wat wel een feit is, is dat al deze kelders op de plek stonden waar vroeger het kerkhof was. Enkele kelders hadden zelfs geen ramen, en waren enkel via andere kelders bereikbaar. Dit geheel is dan (deels of geheel) uitgebroken, om plaats te maken voor het nieuwe huizenblok.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Oude Sint Michielskerk

De Sint-Michielskerk en de Sint-Michielspoort (1165-1781) waren deel van de eerste ringmuur van de stad.

De kerk en de poort waren een van de zeven wonderen van Leuven, want de levenden gingen onder de doden; de mensen in de Tiensestraat liepen lager dan de grafmonumenten in de kerk van Sint-Michiel die in de hoogte stond. Naast de kerk bevond zich het kerkhof, vandaag het Herbert Hooverplein.

In de achttiende eeuw vonden de stedelingen de kerk verkrot. Het metselwerk stond los en het dakgebinte van de kerk was verrot. Af en toe werd de kerk wegens instortingsgevaar gesloten; de parochie van Sint-Michiel zocht een andere kerk. In 1773 kwam de Jezuïetenkerk in de Naamsestraat vrij door de afschaffing van de Jezuïetenorde. De parochie van Sint-Michiel verhuisde daarom naar de Jezuïetenkerk.

Eind 1778 werd de oude Sint-Michielskerk geprofaneerd en in 1781 werd het bruikbaar materiaal ervan verkocht en voor de rest gesloopt. In de Franse tijd verdween het kerkhof van Sint-Michiel. Dit werd de Graanmarkt genoemd en later Herbert Hooverplein.

De afbeelding kan niet weergegeven worden

Nieuwe Sint Michielskerk

In de 18de eeuw riepen de Leuvenaars de zeven wonderen van Leuven in het leven. Twee van de zeven eretitels gingen respectievelijk naar de eerste en de tweede Sint-Michielskerk.

Voorgevel

Pater Willem Van Hees, de ontwerper, schiep een waar barok kunstwerk. "Deze kerk is, naer de eenparige getuigenis der reizigers, de schoonste van al de kerken welke de Jesuiten, niet slechts in België, maer tevens in geheel Europa en America, gesticht hebben," bejubelde Van Even haar. De gelijkenis met een altaar zou zo frappant zijn —zelfs de H. Hostie is bovenaan afgebeeld— dat dit een waar 'altaar buiten de kerk' is. Sindsdien werd dit wonder zo benoemd.

Koepel

Voor de vervaardiging van de vier kolommen aan het koor werd in de plaats van natuursteen ook ijzerzandsteen gebruikt die echter van zeer wisselende kwaliteit bleek te zijn, gaande van zeer goed tot zwak. De kern van deze vieringkolommen was bovendien gevuld met weinig samenhangend invulmetselwerk waardoor ze heel wat minder sterk blijken te zijn dan werd gedacht. Vermoedelijk zorgde dit ook in het verleden al voor problemen en is de zwakke samenstelling van deze kolommen er wellicht de oorzaak van dat de geplande en reeds ontworpen koepel van de kerk nooit werd geplaatst. In 1660 werden de werken aan de koepel stilgelegd. Een eenvoudiger koepelontwerp van Hesius uit 1665 werd evenmin gerealiseerd. Momenteel hangt er een perspectiefvoorstelling van de koepel, geprint op een gespannen doek.

De afbeelding kan niet weergegeven worden

Schutterstoren café In De Toewip

Een van de meest kenmerkende volkscafés van Leuven. Het café bevat een van de laatste indoor staande wips in Vlaanderen. Het is dat vreemde, houten torengebouw naast de Kinépolis waarvan je nooit wist wat het was. Deze schutterstoren is een bekend stadsgezicht in de Leuvense skyline.

Historische context/weetjes

Het is de laatste gesloten staande wip van Vlaams-Brabant en er zijn er in heel Vlaanderen nog maar acht.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Justus Lipsiuscollege

Ontworpen en gebouwd door architect Joris Helleputte in 1877-1879. Voor de uitvoering zou Helleputte principieel weigeren beroep te doen op de bouwnijverheid. Hij richtte zich rechtstreeks tot een aantal meester-ambachtslui die elk een gedeelte van het werk voor hun rekening namen en het in collectief verband met hun beste arbeiders in korte tijd uitvoerden. Naar eigen zeggen lag de bouw van het Justus Lipsiuscollege aan de basis van de door hem in 1878-1885 mee opgerichte "Gilde van Ambachten en Neringen" in Leuven.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Stadsomwalling - Handbogenhof

De stadsmuur kwam tot stand rond 1160, toen het hertogdom Brabant bloeide, de hertogen nog in Leuven verbleven en de bevolking aangroeide. Behalve een verdedigende functie had de muur ook een belangrijke rol in de Leuvense imagebuilding. Een omwalling met een lengte van 2740 meter, 31 torens, 11 stadspoorten en twee waterpoorten: dat was een teken van welstand en macht. Binnen de muur lag ongeveer 40 hectare. Rond 1360 werd een nieuwe, veel grotere muur gebouwd. De naam Handbooghof zelf komt van hof of tuin van de gilde van Sint-Sebastiaan, ook gekend als de gilde der kruisboogschutters of arbalesters. Om veiligheidsredenen konden de kruisboogschutters rustig oefenen in deze afgesloten tuin. De toegang tot de tuin was vroeger afgemaakt met een muurtje.

Historische context/weetjes

De reden waarom er vooral torens zijn overgebleven van de stadsomwalling komt omdat deze vanaf de 14de eeuw verhuurd werden als bergplaats en delen van de muur daarbij als tuinmuur werden gebruikt.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Voormalig Instituut voor Bacteriologie

In 1897 naar ontwerp van de Leuvense architect A. Van Arenbergh opgetrokken. Lang een plek geweest voor krakers, daarna een experimentele viskwekerij van de KU Leuven en nu een plaats voor artiesten. Het gebouw heeft een eclectische penantengevel in gele baksteen, voorzien van een verhoogd middenrisaliet met een drielicht. Het gebouw werd in 2008 voorlopig beschermd als monument.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

OPEK

In 1846-1849 werd ten westen aan het "Pleintjen" vóór de Vaartkom, een groter stapelhuis opgetrokken, met vijf en halve bouwlagen en een rechthoekige binnenplaats, ontworpen door toenmalig stadsarchitect F.H. Laenen. Met zijn vrij imposant en karakteristiek voorkomen ging dit nieuwe entrepot nu het vroegere perspectief op de Keizersberg visueel afsluiten. Tijdens Wereldoorlog II een eerste maal in 1940 door brand geteisterd en nadien in 1944 door luchtbombardementen volledig vernield. Ter plaatse van het in ruïnes herschapen vroegere entrepotgebouw, werd in 1954 de bouw van het huidige "Openbaar Entrepot" aangevat naar plannen van architect Victor Broos, een in de regio zeer actieve en bekende architect, in typische pakketboot modernistische architectuur uit de interbellumperiode. Bestond origineel uit twee delen, het kantoorgedeelte van Douane en Accijnzen en daarnaast het entrepotgedeelte met de opslagruimtes. In 2010 gerenoveerd door architectenbureau T’Jonck-Nilis. Het kantoorgedeelte werd grotendeels behouden, maar het pakhuis werd meer structureel aangepakt. Het gebouw is nu een plek voor kunst en creativiteit met ook een bar een podiumkunstenzaal die als eerste in Europa in stro- en leembouw werd opgetrokken.

Historische context/weetjes

Oorspronkelijk moest hier nog een grote kom aangelegd worden tot aan de gevel van Opek, maar het is niet verder gekomen dat een klein ondergronds kanaal die water voorziet van de Dijle naar de Vaart. In 2012 werden de resten van de aanzet tot die kom meters onder de grond ontdekt.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Thiéryvleugel

Het oorspronkelijke gebouwdeel werd gebouwd door kanunnik Armand Thiéry die de restauratie en reconstructie van de voormalige abdijgebouwen beoogde. Deze liet de vleugel heropbouwen, geïnspireerd door de oorspronkelijke laatgotische toestand zoals die te zien is op de 17de- en 18de-eeuwse zichten op de abdij.

Op het binnenplein stond toen een 19de-eeuwse gebouw van de blauwververij. Deze liet Thiéry ombouwen tot zijn museum van oude architectuur, waarbij diverse oude (16de – 17de eeuwse) bouwonderderdelen van Leuvense gebouwen verwerkt, net als middeleeuwse grafplaten en bouwfragmenten die rechtstreeks van opgravingen van de abdijsite kwamen.

De benedictinessen uit Luik kochten de abdijgebouwen van kanunnik Thiéry in 1917, en op de plaats van de 19de-eeuwse werkplaatsen achter de huizen van de Mechelsestraat kwam de zogenaamde Thiéryvleugel (voltooid in 1922), waarin de benedictinessen huisvesting voor vrouwelijke universiteitsstudenten inrichtten. De als een rij huisgevels uitgewerkte gevel werd bezet met bouwonderdelen die Thiéry had gerecupereerd uit Leuvense panden verwoest in 1914.

Tijdens het bombardement van 11 en 12 mei 1944 werden de abdijkerk en abdijgebouwen zwaar getroffen. De drie andere vleugels worden nagenoeg allemaal afgebroken.

Na de overname van de stad Leuven in 1978 vormde architect Paul Van Aerschot tussen 1981-1987 de Thiéryvleugel om tot woningen. Hierbij voegde hij gekleurde vlakken toe. Deze leiden wat af van het amalgaan van blauwe hardstenen elementen die de continue destructie, heropbouw en omvorming van de abdij weergegeven.

De architect voegt een zoveelste laag toe aan deze symbolische gevel. Voegt hij een nieuwe stap in de evolutie van de architectuur toe, wou hij zijn stempel zetten, of de bevolking afleiden van de zware geschiedenis van de abdij? Misschien had hij hetzelfde doel als dat van Armand Thiéry zelf, namelijk het behouden van elementen uit de geschiedenis en het museum uit te breiden. Van welke gebouwen zou jij elementen recycleren?

Extra: een foto uit 1976, van voor de ingreep door Paul Van Aerschot:

De afbeelding kan niet weergegeven worden

Agora-gebouw

Agora heeft een lange voorgeschiedenis. Het oorspronkelijke plan voor het Farmaceutisch Instituut werd voorgesteld door rector Mgr. Ladeuze in 1918, maar de bouw liep vertraging op door de Eerste Wereldoorlog. Het Farmaceutisch Instituut werd uiteindelijk gerealiseerd en in gebruik genomen in 1932 en ingehuldigd in 1934. Het werd gebouwd voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Inspecteur van de gebouwen, kanunnik Jan Janssen (1873-1932) heeft het gebouw ontworpen.

In 1978 werd er een sloopvergunning voor het gebouw toegekend naar aanleiding van de geplande verhuis van de Faculteit Farmaceutische Wetenschappen naar Gasthuisberg. Het is pas begin 2006 dat de Faculteit verhuisde naar campus Gasthuisberg, waardoor het gebouw zo goed als leeg kwam te staan, met uitzondering van de Couvreurzaal die dienst deed als museum voor farmaceutisch erfgoed.

In 2010 werd het voormalig Farmaceutisch Instituut een beschermd monument, maar reeds enkele jaren ervoor was er al van start gegaan met plannen voor de herbestemming van het gebouw. In 2013 opende het Leercentrum Agora zijn deuren. De herbestemming van het gebouw als leercentrum, sluit aan bij de oorspronkelijke functie van het gebouw.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Grote Markt

Het gotisch stadhuis is één van de meest herkenbare en iconische gebouwen van Leuven. Het gebouw werd zo indrukwekkend mogelijk gemaakt om de strijd aan te gaan met hun concurrent Brussel. Door een ingrijpende stadskernvernieuwing wilde Leuven opnieuw haar eerste rang positie veroveren na haar verlies van de politieke rol als hertogelijke residentiestad aan Brussel.

In 1439 werd de eerste steen van het stadhuis gelegd, maar de bouw zelf duurde 30 jaar. Het gebouw telt zelfs 3 bouwmeesters, aangezien 2 ervan stierven tijdens deze lange periode. De gevel staat vol beelden en is een soort Leuvense ‘hall of fame’. Wie goed kijkt kan Leuvense geleerden, kunstenaars en historische figuren herkennen op de onderste verdieping. Op de andere verdiepingen staan beelden van patroonheiligen van Leuvense parochies, graven, hertogen, Bijbelse figuren, etc.

Tijdens dezelfde periode onderging ook het plein ervoor een grote transformatie. Vroeger was de Grote Markt namelijk grotendeels ingenomen door een kerkhof en men wilde het een plek maken met een zeker statuut. Bij de wederopbouw van dit plein na de zware beschadiging in 1914 werd het plein nog verder verruimd tot wat we de dag van vandaag zien.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Universiteitshal

Tijdens de middeleeuwen werd deze hal gebruikt als lakenhal voor de gilde van lakenwevers als stedelijke verkoopplaats. Dit was zijn functie tot aan het ontstaan van onze universiteit in 1425. Vanaf dan werd het gebruikt om les te geven en later voornamelijk als bibliotheek naarmate er steeds nieuwe en grotere faculteitsgebouwen en aula’s bijkwamen. De 18e eeuwse classicistische bijbouw aan de kant van de Oude Markt huisvestigde deze universiteitsbibliotheek.

Na de brand veroorzaakt door de duitse bezetters in 1914 was ook dit gebouw quasi volledig verwoest. Enkel de gevel bleef over. Meer dan 300 000 boeken en manuscripten van de universiteit gingen mee verloren in de brand. Dit was de aanleiding om een nieuwe universiteitsbibliotheek te bouwen op het ladeuzeplein. Deze oorspronkelijke universiteitsbibliotheek en middeleeuwse lakenhal werd in 1626 gerenoveerd en is de dag van vandaag nog altijd een belangrijk administratief gebouw van de KULeuven.

De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden
De afbeelding kan niet weergegeven worden

Universiteitsbibliotheek

Tijdens Wereldoorlog I steken de Duitsers de bibliotheek die toen nog in de Naamsestraat gevestigd was in brand. Iedereen was in shock en verontwaardigd. Talloze inzamelacties bleven dan ook niet uit. Mede door verschillende Amerikaanse giften, begon in 1921 de bouw van de nieuwe universiteitsbibliotheek op het Ladeuzeplein.

De bouw van de neo-renaissancistische constructie duurde 7 jaar en was voltooid in 1928.

Helaas sloeg in 1940 het noodlot opnieuw toe. Ditmaal door een Brits-Duits artillerieduel. De bibliotheek is opnieuw ernstig toegetakeld. Enkel het skelet bleef overeind.

De bibliotheek werd gerestaureerd volgens de originele plannen en de boekenverzameling die verloren ging werd opnieuw opgebouwd.

Centraal in de gevel prijkt het standbeeld van een gehelmde Onze-Lieve-Vrouw van de Zegerpaal die met haar zwaard de kop van de Duitse arend doorboort. Het standbeeld is een symbool van de overwinning van de Geallieerden.

De universiteitsbibliotheek van vandaag is dus meer dan een bibliotheek. Het is een monument, een gedenkteken en een symbool van hoop en overwinning.

Historische context/weetjes

In 2010 beklom een student de voorgevel van de bibliotheek. Na de week ervoor het stadhuis beklommen te hebben waagde hij zich aan dit imposant gebouw. Na de speer rechts boven het Maria-beeld te grijpen, die van rottend hout was, tuimelde hij naar beneden en overleed hij.

Om deze reden zijn alle recente kunstwerken in Leuven (De naald op het Ladeuzeplein van Jan Fabre, de sokkel van de luchtballon aan het station,...) zo onbeklimbaar mogelijk gemaakt.